Gezondheid en veiligheid op het werk

In België moet de werkgever maatregelen nemen om de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op het werk te garanderen.

Algemene principes welzijnsbeleid

De wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk legt aan de werkgever de algemene verplichting op de nodige maatregelen te treffen ter bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Hij moet daarbij de preventiebeginselen in acht nemen. Deze beginselen zijn overgenomen uit de kaderrichtlijn "veiligheid en gezondheid"

Algemene verplichtingen:

  • Risico’s voorkomen
  • Evaluatie van risico's die niet kunnen worden voorkomen
  • Bestrijding van de risico's bij de bron
  • Vervanging van wat gevaarlijk is door dat wat niet gevaarlijk of minder gevaarlijk is
  • Voorrang aan maatregelen inzake collectieve bescherming boven maatregelen inzake individuele bescherming
  • Aanpassing van het werk aan de mens, met name wat betreft de inrichting van de werkposten en de keuze van de werkuitrusting en de werk- en productiemethoden, met name om monotone arbeid en tempogebonden arbeid draaglijker te maken en de gevolgen voor de gezondheid te beperken

Deze worden aangevuld of nader bepaald door de volgende beginselen:

  • Zo veel mogelijk de risico's inperken, rekening houdend met de ontwikkelingen van de techniek
  • De risico's op een ernstig letsel inperken door het nemen van materiële maatregelen met voorrang op iedere andere maatregel
  • De informatieplicht tegenover de werknemers en de noodzaak passende instructies te verschaffen
  • De planning van de preventie en de uitvoering van het welzijnsbeleid met het oog op een systeembenadering
  • Het vaststellen van de middelen voor het welzijnsbeleid en het vaststellen van de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de personen die belast zijn met de toepassing van dit beleid

Het principe van risicoanalyse staat centraal. Het komt erop aan te onderzoeken aan welke risico's een werknemer kan worden blootgesteld.

Na de identificatie van de risico's dient men die te evalueren en desnoods maatregelen te nemen om risico's te voorkomen, ze bij de bron uit te schakelen of te verminderen.

Daarnaast zijn er ook meer algemene preventiemaatregelen, zoals de keuze van collectieve beschermingsmiddelen boven individuele. Het is steeds belangrijk in te werken op de materiële omstandigheden zelf. Risico's moeten worden beperkt. Nulrisico bestaat echter niet. Er blijven restrisico's over die dan maatregelen in verband met opleiding en informatie van de werknemers vergen.

Bovendien moet dit beleid geïntegreerd worden in het volledige management van de onderneming. In dat kader moet ook het beleid inzake het welzijn van de werknemers regelmatig opnieuw geëvalueerd worden en moet de werkgever de doelstellingen, middelen en verantwoordelijkheden voor de realisatie van de preventie nader bepalen.

Om mogelijke risico’s voor de werknemers op te sporen, moet de werkgever een interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk inschakelen. Deze dienst heeft als opdracht de risico’s te evalueren en het medisch toezicht op de werknemers te organiseren.

De algemene beginselen in verband met de risicoanalyse, de preventieregels, de verplichtingen van de hiërarchische lijn, de regels inzake informatie en vorming van de werknemers en de maatregelen die moeten worden genomen bij noodsituaties, zijn nader omschreven in de codex over het welzijn op het werk.

De werkgever staat dus in voor het voeren van een welzijnsbeleid in de onderneming. Elke werkgever is verantwoordelijk voor de structurele planmatige aanpak van preventie door middel van een dynamisch risicobeheersingssysteem. Hij moet het algemeen beleid uitstippelen en instructies geven aan het leidinggevend personeel over de uitvoering van het beleid. Hij draagt daarvoor de volledige eindverantwoordelijkheid.

Voor meer informatie over de verantwoordelijkheden van de werkgever voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers consulteer de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

Risicoanalyse

Het is belangrijk dat de risicoanalyse gebaseerd is op een globale en interactieve analyse van alle professionele risico's die in de onderneming aanwezig zijn. Een van de grootste moeilijkheden bij de risicoanalyse ligt in het grote aantal mogelijke risico's in ondernemingen: veiligheid (brand, elektriciteit, werken op hoogte, uitglijden, vallen, ...), gevaarlijke chemische, biologische en fysische agentia, PSR, MSA …

Hoewel er talloze methodes bestaan om de risicoanalyse uit te voeren, is er geen enkele verplichting om een specifieke methode te gebruiken. Maar is er wel een resultaatsverbintenis in termen van preventie. Men legt geen middelen op, maar wel doelstellingen die moeten bereikt worden. Hoe die doelstellingen moeten bereikt worden, laat men over aan de werkgever.

Om dit te verwezenlijken, bepaalt de werkgever:

  1. de wijze waarop het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk kan worden gevoerd
  2. de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de personen belast met het toepassen van het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk

De keuze van de risicoanalysemethode(n) is echter belangrijk. Zij moet gebeuren in overeenstemming met de omvang van en de kennis die aanwezig is binnen de onderneming en de gewenste doelstellingen: het sensibiliseren van de werknemers, het identificeren en classificeren van de risico's, het bepalen van de diensten of eenheden die het meeste risico lopen, preventieve maatregelen bepalen, nagaan hoeveel mensen gezondheidsproblemen hebben, …

Alvorens de beste methode(n) te kiezen, is het belangrijk dat de actoren (werkgever, management, experts zoals de preventiediensten van de verzekeraars, preventieadviseurs van de interne en externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en de werknemers) de juiste vragen stellen en de doelstellingen duidelijk vastleggen. De risicoanalyse moet volledig zijn. Dit is een wettelijke vereiste, omdat er verbanden bestaan tussen verschillende risico's.

Dit gebeurt op drie niveaus:

  • de organisatie in haar geheel
  • elke groep van werkposten of functies
  • het individu zelf

De risicoanalyse bestaat uit drie fasen:

  • het identificeren van gevaren
  • het vaststellen en nader bepalen van risico's
  • het evalueren van risico's

De SOBANE-strategie

De SOBANE-strategie is een van de methodes voor een doeltreffend en duurzaam preventiebeleid in de ondernemingen. Deze strategie wordt gratis aangeboden en verspreid door de Algemene Directie Humanisering van de Arbeid van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en werd ontwikkeld met de steun van het Europees Sociaal Fonds.

Waar vind men de SOBANE-instrumenten?

Voor meer informatie over de risicoanalyse consulteer de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en van het Belgisch kenniscentrum over welzijn op het werk (BeSWIC).

De actoren van de risicoanalyse

Risicoanalyse is geen éénmanszaak. Het vergt de inbreng van iedereen in de onderneming: werkgever, management, experts zoals de preventiediensten van de verzekeraars, preventieadviseurs van de interne en externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en alle werknemers.

  • In een kleine of middelgrote onderneming wordt de werkgever verondersteld om zelf de voornaamste risicofactoren te kunnen identificeren aan de hand van de Déparis-gids, maar doorgaans is de aanwezigheid van een externe preventieadviseur nodig voor de observatie, tenzij de interne preventieadviseur beschikt over een aanvullende vorming niveau I of II.

  • In een grotere onderneming dient men te beschikken over een interne dienst voor preventie en bescherming. Haar betrokkenheid leidt tot een meer uitvoerige risicoanalyse. Voor de taken en opdrachten waarvoor de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk de nodige deskundigheid niet of onvoldoende in huis heeft, wordt een beroep gedaan op een externe dienst voor preventie en bescherming.
De preventieadviseurs

De risicoanalyse dient te gebeuren met de hulp van preventieadviseurs die beschikken over de vereiste bekwaamheid, middelen en technieken. De wettelijke opdrachten van de preventiedienst hebben niet alleen betrekking op de veiligheid en gezondheid van de werknemers, maar ook op psychosociale aspecten die verband houden met de arbeidsomgeving (zoals pesterijen, burn-out, ...), evenals ergonomie op de arbeidsplaats en arbeidshygiëne. Hierdoor moet de werkgever ofwel een beroep kunnen doen op eigen werknemers die over de nodige kennis en vaardigheden beschikken, in welk geval de interne preventiedienst zelf alle opdrachten kan uitvoeren die hem door de welzijnsreglementering worden toevertrouwd. Indien hij zelf niet over het nodige personeel beschikt, moet hij een beroep doen op een externe dienst die specifiek voor deze opdracht werd opgericht en erkend. Het gaat hierbij doorgaans om externe preventieadviseurs die nauw samenwerken met de interne preventieadviseurs (en die niet in de plaats van laatstgenoemden treden, bv. preventieadviseur-arbeidsarts, preventieadviseur-psychosociale aspecten, …).

  • De risicoanalyse van de psychosociale risico’s wordt uitgevoerd door de werkgever met medewerking van de werknemers. De werkgever betrekt er de preventieadviseur-psychosociale aspecten bij wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst. Wanneer dat niet het geval is, betrekt hij er de preventieadviseur-psychosociale aspecten van de externe dienst bij wanneer de complexiteit van de analyse het vereist.

  • De werkgever verricht de risicoanalyse voor alle werkzaamheden waarbij zich een risico bij blootstelling aan biologische agentia kan voordoen in samenwerking met de bevoegde preventieadviseur en de preventieadviseur-arbeidsarts.

De werkgever mag voor specifieke problemen een beroep doen op deskundigen van buiten de onderneming die niet behoren tot een externe dienst. De bedoeling van deze bepaling is de werkgever toe te laten om op gespecialiseerde instellingen een beroep te kunnen doen, om bijvoorbeeld een bepaalde technische meting te laten uitvoeren die verband houdt met de arbeidshygiëne of om werknemers een opleiding brandbestrijding te laten volgen.

Ten slotte is het ook erg belangrijk dat de analysemethoden worden gebruikt door en met alle actoren van de onderneming en dus ook met de werknemers. Hun deelname aan alle fasen van de risicoanalyse zal het mogelijk maken om snel de meest effectieve preventiemaatregelen te bepalen die het best passen bij de realiteit ter plaatse. Het bevordert ook de praktische uitvoering van de maatregelen en de dagelijkse naleving ervan.

Voor meer informatie over de actoren van de risicoanalyse consulteer de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en van het Belgisch kenniscentrum over welzijn op het werk (BeSWIC).

Gezondheids– en veiligheidsverplichtingen voor alle ondernemingen

In Belgïe moet elke onderneming een preventiebeleid uitwerken en een preventieadviseur op de werkvloer inzetten.

De werkgever moet de medewerkers beschermen via een dynamisch risicobeheersingssysteem. Na de risicoanalyse legt men preventiemaatregelen vast in een globaal preventieplan (GPP), dat dient als basis voor het jaaractieplan.

Het GPP biedt een overzicht van de aanwezige risico’s in de onderneming en vertelt wat men moet doen om deze risico's te voorkomen, ze bij de bron uit te schakelen of te beperken. In het GPP moet men rekening houden met de ondernemingsactiviteiten, arbeidsprocessen en de grootte van de onderneming.

1. Interne Dienst voor Preventie en Bescherming (IDPB)

Elke werkgever moet een interne dienst voor preventie en bescherming (IDPB) oprichten, zodra er één werknemer in dienst is, al dan niet voltijds. Daartoe beschikt elke werkgever over minstens één interne preventieadviseur (IPA).

Indien de onderneming minder dan 20 werknemers heeft, kan de werkgever deze functie zelf uitvoeren.

De groep waartoe de onderneming behoort (A-B-C-D) bepaalt het vereiste opleidingsniveau van de IPA (basiskennis, niveau II of niveau I) maar ook de opdrachten en taken van de interne dienst.

Wanneer deze interne dienst niet zelf alle opdrachten kan vervullen die hem zijn toevertrouwd, kan de werkgever bijkomend een beroep doen op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

Groep D omvat ondernemingen met minder dan 20 werknemers waarbij de werkgever zelf de functie van preventieadviseur uitvoert. Kiest de werkgever er echter toch voor een personeelslid aan te stellen als preventieadviseur, dan behoort de onderneming automatisch toch tot groep C.

Om te bepalen tot welke groep uw onderneming behoort, bestaan er 2 criteria:

  1. Het aantal werknemers in dienst (in voltijdse equivalenten)
GroepBeschrijving
A> 1000 werknemers
BTussen de 200 en de 1000 werknemers (en niet behorend tot groep A door verhoogde risico's in de onderneming)
C

Minder dan 200 werknemers (en niet behorend tot groep A of B door verhoogde risico's in de onderneming)

DMinder dan 20 en de werkgever is zelf de Interne Preventieadviseur
  1. De aard van de risico’s in de onderneming  (hoe belangrijker de risico's, hoe sneller uw onderneming in een hogere groep valt). 
    Bepaalde industrieën en nijverheden die risicovolle activiteiten verrichten, vallen hierdoor in een hogere groep zonder hiervoor het vereiste aantal werknemers tewerk te stellen.
 Aantal werknemers
Aard van de ondernemingABC
Vervaardiging van chemische basisproductenVanaf 5120-501-19

Om duidelijkheid te hebben over welke activiteiten het gaat, verwijst de Federale Overheidsdienst voor Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg naar de codetabel NACEBEL 2008.

2. Identificatiedocument van de IDPB: een essentieel document

Zodra u een werknemer in dienst heeft, moet u een interne preventiedienst oprichten en een “identificatiedocument van de IDPB” opstellen. Dit document moet ter beschikking worden gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.

Dit document vermeldt:

  • De identificatie van de werkgever
  • De samenstelling van de interne dienst (naam van de preventieadviseurs, hun kwalificaties en hun prestatieduur)
  • De vaardigheden die vertegenwoordigd zijn in de interne dienst
  • De opdrachten die door de interne dienst worden verricht
  • De administratieve, technische en financiële middelen waarover de interne dienst beschikt
  • De adviezen van het Comité
3. Het jaarverslag van de interne dienst: een verplichting voor de IPA

Het is een verslag over de werking en de activiteiten van uw Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk tijdens het voorafgaande jaar.

Het jaarverslag brengt alle gegevens van het afgelopen jaar samen over de veiligheid en gezondheid van de werknemers van uw onderneming, zoals statistische gegevens over arbeidsongevallen, acties die in het voorgaande jaar zijn uitgevoerd, structuur van de preventie en bescherming in de onderneming en informatie over de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk. Het opstellen van het verslag is een taak van de interne preventieadviseur.

Waar kunt u een exemplaar verkrijgen?

De Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg stelt drie verschillende types van documenten van het jaarverslag op haar site ter beschikking.

4. Coördinatie op de arbeidsplaats  

De wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk voert een veralgemeende regeling in, waarbij de verschillende aspecten van de tewerkstelling op eenzelfde werkplaats of op aanpalende of naburige arbeidsplaatsen aan bod komen.

  • Verschillende ondernemingen of instellingen die bedrijvig zijn op eenzelfde arbeidsplaats waar werknemers werken, zijn ertoe gehouden samen te werken bij de uitvoering van de maatregelen met betrekking tot het welzijn van de werknemers, alsook hun optreden te coördineren en elkaar hiervoor de nodige informatie te geven;
  • Er bestaan specifieke regels voor de coördinatie tussen de werkgever van een onderneming en derden van buiten deze onderneming (werkgevers of zelfstandigen van buitenaf) die werkzaamheden/activiteiten in deze onderneming uitvoeren.
5. Ondernemingen met 50 of meer werknemers

Zodra men gemiddeld minstens 50 mensen tewerkstelt, moet men sociale verkiezingen organiseren. Zij vinden elke vier jaar plaats. In die verkiezingen stemmen werknemers over hun vertegenwoordiging in het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk of CPBW. Dat is een paritair samengesteld overlegorgaan dat waakt over het welzijn van de werknemers. 

Indeling van werkgevers in groepen

De welzijnswetgeving verdeelt werkgevers in vier groepen: A, B, C en D

Om te bepalen tot welke groep een onderneming behoort, bestaan er 2 criteria:

a. Het aantal werknemers in dienst (in voltijdse equivalenten)

GroepenBeschrijving
A> 1000 werknemers
BTussen de 200 en de 1000 werknemers (en niet behorend tot groep A door verhoogde risico's in de onderneming)
C

Minder dan 200 werknemers (en niet behorend tot groep A of B door verhoogde risico's in de onderneming)

DMinder dan 20 en de werkgever is zelf de Interne Preventieadviseur

b. De aard van de risico’s in de onderneming (hoe belangrijker de risico's, hoe sneller uw onderneming in een hogere groep valt).

Bepaalde industrieën en nijverheden die risicovolle activiteiten verrichten, vallen hierdoor in een hogere groep zonder hiervoor het vereiste aantal werknemers tewerk te stellen.

De groep waartoe een onderneming behoort, zal bepalen welke opdrachten en taken de interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk verplicht moet uitvoeren en wat het niveau van de opleiding van de preventieadviseur(s) is.

Minimale aanvullende vorming
Groep (onderneming of technische bedrijfseenheid) Preventieadviseur belast met de leiding Overige preventieadviseurs 
ANiveau INiveau II
BNiveau IIgeen aanvullende vorming vereist maar wel voldoende kennis (niveau 3)
Cgeen aanvullende vorming vereist maar wel voldoende kennis (niveau 3)geen aanvullende vorming vereist maar wel voldoende kennis (niveau 3)
Dgeen aanvullende vorming vereist maar wel voldoende kennis (niveau 3)geen aanvullende vorming vereist maar wel voldoende kennis (niveau 3)

Specifieke risico’s

De welzijnsreglementering is van toepassing in alle sectoren waar werknemers worden tewerkgesteld. In de praktijk komen bepaalde risico’s (bv.: ioniserende straling, risico op vallen van een hoogte, chemische agentia, …) enkel of vaker voor in specifieke sectoren of ondernemingen (bv. medische sector, tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, kunststofproducenten, …).

In de codex over het welzijn op het werk wordt aan de werkgever de verplichting opgelegd om rekening te houden met alle mogelijke risico’s die kunnen optreden binnen zijn onderneming en de nodige preventiemaatregelen in te voeren om het welzijn van de werknemers te verzekeren. Er zijn specifieke bepalingen in opgenomen voor het voeren van een preventiebeleid voor welbepaalde risico’s en arbeidsplaatsen.

Op tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (TMB) zijn diverse werkgevers en zelfstandigen belast met de uitvoering van werkzaamheden. Om daar een echt preventiebeleid te voeren, moeten de maatregelen die elk van die werkgevers neemt, gecoördineerd worden.

De welzijnswet somt de actoren op die betrokken zijn bij de verplichtingen in verband met de werkzaamheden op TMB, waarbij de rol van de veiligheidscoördinator primordiaal is.

Omvang bouwwerven

De wetgeving maakt een onderscheid tussen bouwwerven waarvan de totale oppervlakte gelijk is aan of groter is dan 500 m² en kleinere werven. Voor deze laatste gelden minder strenge regels.

Een ander criterium is de uitvoering van 'gevaarlijke werken' of 'werken met een verhoogd risico'. Dit omvat onder andere werken waarbij de werknemers blootgesteld worden aan de gevaren van bedelving, wegzinken of vallen, aan chemische of biologische agentia, ioniserende stralen of waarbij ondergrondse werken moeten uitgevoerd worden.

Een derde belangrijk criterium is de verwachte duur van de werken. Wanneer het vermoedelijke werkvolume groter is dan 500 mandagen of wanneer de vermoedelijke duur van de werkzaamheden langer is dan 30 werkdagen, en waar op één of meer ogenblikken meer dan 20 werknemers tegelijkertijd aan het werk zijn, dan is er sprake van 'werken van een grotere omvang'. Ook hiervoor gelden strengere regels.

Veiligheidscoördinatoren

Een van de belangrijkste maatregelen is de invoering van coördinatoren. Wanneer ten minste twee aannemers werken op een bouwwerf, moet een coördinator-ontwerp en een coördinator-verwezenlijking aangesteld worden. Zij mogen de werken dus niet aanvangen zolang geen coördinator-verwezenlijking werd aangesteld.

Voor de bouwwerken waarvan de totale oppervlakte gelijk is aan of groter is dan 500 m² worden de coördinatoren steeds door de opdrachtgever aangesteld. Voor de bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m², worden zowel de coördinator-ontwerp als de coördinator-verwezenlijking door de architect aangesteld en, indien de medewerking van een architect niet vereist is, door de hoofdaannemer, of de eerste aannemer die met de opdrachtgever een contract sluit.

Voor het bepalen van de totale oppervlakte wordt de oppervlakte van alle niveaus en van de bijhorende constructies samengeteld. Bij verbouwingen worden alleen maar de oppervlaktes van de lokalen of zones in rekening gebracht, die bij de verbouwing betrokken zijn.

Coördinator-ontwerp

De coördinator-ontwerp zorgt ervoor dat de algemene preventieprincipes van bij het ontwerp toegepast worden. Hij voert een risicoanalyse uit en stelt op basis hiervan een veiligheids- en gezondheidsplan op. Dit plan bevat de vastgelegde preventiemaatregelen die moeten voorkomen dat de werknemers aan de vastgesteld risico's worden blootgesteld tijdens de uitvoering van het werk. Het plan moet ook rekening houden met de risico's die ontstaan door de opeenvolging van de activiteiten, de wederzijdse invloeden die de verschillende werken op elkaar kunnen hebben en de wisselwerking met de omgeving.

Coördinator-verwezenlijking

De coördinator-verwezenlijking komt tussen bij de uitvoering van de werken en zorgt ervoor dat het veiligheids- en gezondheidsplan gerespecteerd wordt door alle aannemers en onderaannemers. De coördinator-verwezenlijking mag dezelfde persoon zijn als de coördinator-ontwerp.

Gedurende de duur van de werken moet de coördinator-verwezenlijking een coördinatiedagboek bijhouden. Dat document bevat de gegevens en bemerkingen over de veiligheidscoördinatie en de gebeurtenissen op de bouwplaats Op de bouwplaatsen met een oppervlakte van minder dan 500m² mag het coördinatiedagboek vervangen worden door een schriftelijke inkennisstelling.

Opstarten en beëindigen van een TMB

Het opstarten van een TMB moet aan de bevoegde buitendienst van de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk gemeld worden.

De volgende TMB moeten gemeld worden:

  • Elke TMB waar één of meer gevaarlijke werken) worden uitgevoerd en waarvan de totale duur van de bouwplaats vijf werkdagen overschrijdt;
  • Elke bouwplaats waarvan het vermoedelijke werkvolume groter is dan 500 mandagen of de vermoedelijke duur van de werkzaamheden langer is dan 30 werkdagen, en waar op één of meer ogenblikken meer dan 20 werknemers tegelijkertijd werken.

De veiligheidscoördinator moet bij het einde van zijn opdracht een exemplaar van het geactualiseerde veiligheids- en gezondheidsplan, het eventuele geactualiseerde coördinatiedagboek en het geactualiseerde postinterventiedossier aan de opdrachtgever(s) overmaken.

Meer informatie over het opstarten en beëindigen van een TMB

Risicoanalyse en preventiemaatregelen

De werkgever moet een analyse uitvoeren van de risico's waaraan jongeren bij hun arbeid blootgesteld zijn, met het oog op het beoordelen van alle risico's voor de veiligheid, de lichamelijke en geestelijke gezondheid of de ontwikkeling van deze jongeren.

Bij deze risicoanalyse moet men rekening houden met het feit dat jongeren vaak een ontoereikende aandacht hebben voor veiligheid, een gebrek aan ervaring hebben en dat hun ontwikkeling soms nog niet is voltooid.

De risicoanalyse moet gebeuren vóór het begin van de arbeid en jaarlijks worden hernieuwd. Een hernieuwing dient ook te gebeuren bij een wijziging van de werkpost. Op grond van de risicoanalyse worden preventiemaatregelen genomen om risico's te voorkomen, schade te voorkomen en schade te beperken.

Verbod op gevaarlijke arbeid

Een van de preventiemaatregelen bestaat in het verbod voor jongeren om arbeid te verrichten die als gevaarlijk wordt beschouwd.

Het betreft de arbeid die:

  • Jongeren objectief gezien (vanuit lichamelijk of psychisch oogpunt) niet aankunnen
  • Met zich brengt dat jongeren worden blootgesteld aan giftige of kankerverwekkende stoffen, stoffen die erfelijke genetische veranderingen veroorzaken, stoffen die tijdens de zwangerschap schadelijke gevolgen hebben voor de foetus of die voor de mens een schadelijke chronische werking hebben
  • Blootstelling aan ioniserende stralingen met zich brengt
  • Risicofactoren inhoudt voor ongevallen waarvan men vermoedt dat jongeren die niet beseffen of niet kunnen voorkomen, doordat ze nog niet veel inzicht hebben in veiligheid of onervaren of onvoldoende opgeleid zijn
  • Jongeren kan blootstellen aan extreme koude, hitte, lawaai of trillingen

Deze verbodsbepalingen zijn echter niet absoluut. Het is de risicoanalyse die moet aantonen dat het risico reëel is op basis van de criteria bedoeld in de codex.

Voor bepaalde categorieën van jongeren kan onder bepaalde voorwaarden van het verbod worden afgeweken.

Er bestaan ook bijzondere regels voor het bedienen van gemotoriseerde toestellen door student-werknemers.

Onthaal en begeleiding

Een andere preventiemaatregel betreft het nemen van de nodige maatregelen voor onthaal en begeleiding van de jongere werknemers.

Deze maatregel moet vóór de tewerkstelling gebeuren. Het doel van deze maatregel is het bevorderen van de aanpassing en integratie van jongeren in de werkomgeving en ervoor te zorgen dat ze in staat zijn om het werk naar behoren uit te oefenen. Zo kan er een peter of meter worden aangeduid om de jongere op de werkvloer te begeleiden. De persoon die wordt aangeduid moet zelf ook een goede training krijgen op het gebied van risico's. Bovendien moet hij/zij op de hoogte zijn van de werkzaamheden die verplicht onder toezicht moeten gebeuren. Er moet door de werkgever voldoende tijd worden toegekend aan deze persoon om deze taak naar behoren te volbrengen en hij/zij moet het nodige gezag daartoe hebben. Het is tevens belangrijk dat de peter of meter de jongere aanmoedigt tot participatie, tot het stellen van vragen over de risico's op het werk en tot het bespreken en melden van eventuele gevaren die ze zien.

Gezondheidstoezicht

De werkgever zorgt voor passend gezondheidstoezicht op de jongeren op het werk en staat in voor de kosten ervan.

De jongere kan onderworpen worden aan twee types van onderzoeken:

  1. Het passend gezondheidstoezicht. Het betreft hier het uitoefenen van een veiligheidsfunctie, een functie met verhoogde waakzaamheid of een activiteit met welbepaald risico.
  2. Het specifiek gezondheidstoezicht dat bestaat uit een voorafgaande en een periodieke gezondheidsbeoordeling voor de jongeren die minderjarig zijn, die nachtarbeid (tussen 20u en 6u) verrichten of die arbeid verrichten die normalerwijze verboden is zoals bedoeld in bijlage X.3-1 van de codex (maar hier toegestaan omdat het noodzakelijk is voor de beroepsopleiding).

In kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) en vooral in micro-ondernemingen (MiO's) ontbreekt het vaak aan voldoende gezondheids- en veiligheidskennis. Bij ondernemingen met minder dan 20 werknemers is het bovendien de werkgever zelf die, zonder voorafgaand een opleiding gevolgd te hebben, de functie van preventieadviseur vervult.

Risicoanalyse- en preventiemethoden moeten daarom aan deze situatie worden aangepast. Dit is een van de doelstellingen van de eerste methoden van de SOBANE-strategie.

De FOD Werkgelegenheid biedt een gratis, gebruiksvriendelijke IT-tool aan: het ‘Online interactive Risk Assessment’ (OiRA), een webplatform waarmee in elke taal sectorale risicobeoordelingstools kunnen worden gecreëerd die kleine ondernemingen kunnen helpen om een risicoanalyse uit te voeren en preventieacties te bepalen. Dit instrument is ontwikkeld dankzij de technische ondersteuning van het Europees Agentschap voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk (EU-OSHA) in samenwerking met de sociale partners, experts uit de sector en de FOD Werkgelegenheid.

Elke sector die een OiRA wil ontwikkelen, moet dit doen in samenwerking met de FOD Werkgelegenheid en zich aan bepaalde criteria en principes houden.

Doelstellingen van OiRA:

  • Op Europees niveau:
    • Verhogen van het aantal kleine en micro-ondernemingen in Europa die hun beroepsrisico's beoordelen en beheren
    • Door een goede risicoanalyse bijdragen tot de verlaging van het aantal arbeidsongevallen en beroepsziekten en tot de verbetering van de arbeidsomstandigheden
    • Door een goede risicobeoordeling het concurrentievermogen van de ondernemingen verbeteren door te snijden in de kosten die voortvloeien uit ongevallen en ziekte, het verminderen van de tarieven van ziekteverzuim, ...
  • Op nationaal en sectoraal niveau:
    • De praktische OiRA-instrumenten ter beschikking stellen van micro en kleine organisaties via hun websites en het gebruik ervan bevorderen
    • Bijdragen tot de nationale doelstelling voor de vermindering van het aantal beroepsziekten en ongevallen door de OiRA-tool ter beschikking van de ondernemingen te stellen
  • Op bedrijfsniveau:
    • De gezondheid en veiligheid van werknemers (algemene verplichting van werkgevers en bedrijven) verzekeren door het toepassen van de OiRA-tool op de werkvloer in het bedrijf en zo het risico-evaluatie proces op gang brengen
    • Het proces van risicobeoordeling demystificeren
    • Met behulp van de tool voor het beoordelen van hun beroepsrisico's de arbeidsomstandigheden verbeteren en zo de prestaties van de bedrijven verbeteren

Alle OiRA-instrumenten zijn gratis beschikbaar.

Welke bevoegde autoriteiten?

In België is de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de bevoegde nationale instantie voor gezondheid en veiligheid op het werk. De FOD is verantwoordelijk voor de voorbereiding, de bevordering en de uitvoering van het beleid inzake welzijn op het werk.

Binnen de FOD Werkgelegenheid heeft de Arbeidsinspectie – Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk de taak toe te zien op de naleving van het welzijnsbeleid op het werk door een adviserende, preventieve en repressieve rol te spelen.

Het Federaal agentschap voor beroepsrisico’s Fedris is het expertisecentrum op het vlak van beroepsrisico’s, in het bijzonder bij arbeidsongevallen en beroepsziekten.

Voor arbeidsongevallen heeft Fedris een controlerende taak tegenover werkgevers en verzekeringsondernemingen en in bepaalde gevallen staat ze ook in voor de vergoeding van slachtoffers. Op het vlak van beroepsziekten is Fedris bevoegd om aanvragen voor een vergoeding te onderzoeken van slachtoffers uit de privésector en de plaatselijke en provinciale instellingen en hen rechtstreeks of onrechtstreeks te vergoeden.

Werknemers uit de volgende sectoren kunnen terecht bij Fedris:

  • Arbeidsongevallen: de privésector en in beperktere mate de publieke sector
  • Beroepsziekten: de privésector en de plaatselijke en provinciale overheidsdiensten

Zelfstandigen kunnen terecht bij Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ)

Wat te doen bij vaststelling van een beroepsrisico?

Elke werkgever is verplicht om in zijn onderneming een beleid te voeren dat tot doel heeft het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk te bevorderen. Dit moet gebeuren aan de hand van een risicoanalyse. Als een werknemer een risico vaststelt, moet hij dit melden aan zijn werkgever.

In geval van een vastgesteld risico kan een klacht worden ingediend bij de bevoegde regionale directie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk. U kunt de contactgegevens, de territoriale bevoegdheid en de openingsuren van de gewestelijke directies voor het Toezicht op het welzijn op het werk raadplegen op de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

Een werkgever kan een beroep doen op Fedris om een advies te krijgen te krijgen op het vlak van blootstelling aan beroepsziekten op de werkvloer.

Wanneer en hoe aangifte doen van werkgebonden ongevallen, letsels, bijna-ongevallen of ziektes

In geval van arbeidsongeval

Elke Belgische werkgever is verplicht om zijn werknemers die een loon krijgen te verzekeren tegen het risico op arbeidsongevallen. Deze verzekering gaat hij aan bij een verzekeringsonderneming.

Een werknemer moet elk ongeval waarvan hij het slachtoffer is geworden op de arbeidsplaats of op de weg naar en van het werk melden aan zijn werkgever. De werkgever is verplicht binnen 8 dagen het ongeval te melden aan zijn verzekeringsonderneming.

De verzekeringsonderneming zal vervolgens beslissen of uw ongeval wordt erkend als arbeidsongeval.

Als de verzekeringsonderneming weigert het ongeval te erkennen, dan kunt u Fedris vragen om een onderzoek in te stellen naar de beslissing van de verzekeringsonderneming.

In geval van beroepsziekten

Alle werkgevers uit de privésector zijn in principe automatisch verzekerd tegen beroepsziekten. Overheidsdiensten verzekeren over het algemeen zelf hun werknemers tegen beroepsziekten.

Een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer is wettelijk verplicht om Fedris en de FOD Werkgelegenheid (WASO) te informeren als hij bij een werknemer een ziekte vaststelt waarvan hij vermoedt dat die werd veroorzaakt door zijn beroepsuitoefening. In dat geval informeert Fedris de werknemer dat hij een aanvraag voor een vergoeding kan indienen. Hij kan deze aanvraag ook indienen zonder een voorafgaande aangifte door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.

Een werknemer uit de privésector vraag zijn vergoeding aan bij Fedris door het formulier 501N op de website van Fedris in te vullen en zijn arts te vragen om het formulier 503N op de website van Fedris in te vullen. Zodra Fedris beide formulieren en eventuele medische bewijsstukken in bezit heeft, kan het een onderzoek opstarten.

In geval van ernstig of zeer ernstig arbeidsongeval

Het begrip "ernstig arbeidsongeval" wordt gedefinieerd als een ongeval dat zich op de werkplek zelf voordoet en dat vanwege de ernst ervan een specifiek, diepgaand onderzoek vereist met het oog op het nemen van preventieve maatregelen om herhaling te voorkomen.

De toe te passen procedure in geval van ernstig arbeidsongeval omvat in de praktijk drie of vier stappen:

  1. Het ernstig arbeidsongeval wordt onmiddellijk door de bevoegde preventiedienst of -diensten onderzocht;
  2. Wanneer het arbeidsongeval een "zeer" (hiermee worden de dodelijke arbeidsongevallen bedoeld en de arbeidsongevallen met een blijvende arbeidsongeschiktheid) ernstig karakter heeft, wordt het onmiddellijk aan de bevoegde ambtenaren gemeld;
  3. Om de onmiddellijke herhaling van het ernstig arbeidsongeval te vermijden, worden bewarende maatregelen getroffen;
  4. Een omstandig verslag over het ongeval wordt binnen de tien dagen na het ongeval aan de arbeidsinspectie Toezicht op het Welzijn op het Werk bezorgd.

Voor alle andere arbeidsongevallen met een arbeidsongeschiktheid van 4 dagen of meer moet een analyse van het arbeidsongeval worden uitgevoerd en moet een ongevallenfiche worden opgesteld.

Voor zeer ernstige arbeidsongevallen is er sinds 1 oktober 2020 een actieve wachtdienst voor de onmiddellijke telefonische melding aan de ambtenaar die belast is met het toezicht op zeer ernstige arbeidsongevallen op werkdagen buiten de kantooruren, op zaterdagen, zondagen en feestdagen, op brugdagen en tijdens de periode van collectieve sluiting tussen Kerstmis en Nieuwjaar.

Een zeer ernstig arbeidsongeval moet door de werkgever van het slachtoffer onmiddellijk worden gemeld aan de met het toezicht belaste ambtenaar met behulp van een geschikt technologisch middel, met vermelding van de naam en het adres van de werkgever van het slachtoffer, de naam van het slachtoffer, de datum en de plaats van het ongeval, de vermoedelijke gevolgen ervan en een korte beschrijving van de omstandigheden.

Om contact op te nemen met de dienstdoende inspecteur voor de aangifte van een zeer ernstig werkongeval werden twee algemene telefoonnummers gecreëerd:

  • Nederlandstalig telefoonnummer: 02 235 53 00
  • Franstalig telefoonnummer: 02 235 55 44

Afhankelijk van de ernst van het arbeidsongeval of op initiatief van de gerechtelijke autoriteiten zal dan worden besloten of de inspecteur zich naar de plaats van het ongeval moet begeven om het onderzoek in te stellen en na te gaan of er in afwachting van het inhoudelijke onderzoek door de bevoegde preventiedienst passende maatregelen worden genomen om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te waarborgen.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op zeer ernstige arbeidsongevallen die zich voordoen op de terreinen van zogenaamde Seveso-bedrijven. In dergelijke gevallen moet de Directie voor de preventie van ernstige ongevallen verwittigd worden. De coördinaten staan op de pagina  van de FOD WASO website omtrent Controle van chemische risico's.

Bovendien moeten bepaalde arbeidsongevallen ook aan andere autoriteiten worden gemeld:

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg

Inlichtingen, klachten, verzoeken om een afspraak met een arbeidsinspecteur enz. moeten altijd bij de bevoegde regionale inspectiedienst worden ingediend.

Federaal agentschap voor beroepsrisico’s (Fedris)

Sterrenkundelaan 1
1210 Brussel
Tel.:+32 (0)2 272 20 00
www.fedris.be